News

News & Publications
Apr 21, 2016

Wat als een vervoerder zijn lading niet kan afleveren door toedoen van de ontvanger?


De vervoerder van een lading is verplicht om de lading in dezelfde staat af te leveren als waarin hij deze in ontvangst nam. Wat nu als de vervoerder zijn lading niet kan afleveren? Hoe kan hij zich in dat geval van die verplichting ontdoen?

 

Category: Publicaties
Posted by: admin

De verplichting van de vervoerder
De vervoerder is verplicht om lading af te leveren in de staat waarin hij deze heeft ontvangen. Dit wordt ook wel een resultaatsverplichting genoemd. De vervoerder heeft deze verplichting vanaf het moment dat hij de lading in ontvangst neemt tot het moment van aflevering. Wat nu het moment van aflevering is, is afhankelijk van de specifieke omstandigheden. Aflevering heeft in ieder geval plaatsgevonden op het moment dat de vervoerder de lading heeft overgedragen aan de rechthebbende of aan iemand die namens de rechthebbende optreedt.

Wat nu als een vervoerder niet kan afleveren, omdat de rechthebbende de lading niet in ontvangst neemt? In dat geval kan de vervoerder twee dingen doen: de lading opslaan bij een derde of overgaan tot verkoop van de lading. De verkoop van lading is meestal gevolgd op een periode van opslag.

Opslag van de lading
Zowel de zeevervoerder (artikel 8:490 BW) als de wegvervoerder (artikel 8:1132 BW) en de vervoerder over binnenwateren (artikel 8:1379 BW) kunnen besluiten om niet in ontvangst genomen  lading op te slaan bij een bewaarnemer; bijvoorbeeld een veem. Daarvoor is geen tussenkomst van een rechter nodig. Vaak is opslag het logisch vervolg op het transport. In vrijwel alle gevallen van container vervoer wordt lading na vervoer opgeslagen. Met de lossing van de container op de kade ontstaat namelijk meteen een periode van opslag door de containerterminal. Het opslaan van de lading bij een bewaarnemer ontslaat de vervoerder niet van de resultaatsverplichting. Dit betekent dat de vervoerder aansprakelijk is voor schade aan de lading tijdens opslag tot aan het moment van aflevering. De soep wordt echter niet zo heet gegeten als die wordt opgediend. De vervoerder kan zijn aansprakelijkheid voor de periode dat hij niet met het ‘echte’ vervoeren bezig is, over het algemeen uitsluiten en dat doet hij doorgaans ook door bepalingen op te nemen in de vervoersvoorwaarden die daarop toezien. Een voorbeeld van een dergelijke bepaling is de ‘period of responsibility clause’, waarin met zoveel woorden staat dat de vervoerder niet aansprakelijk is voor schade ontstaan na het lossen van de lading uit het schip.

Verkoop van de lading
De vervoerder kan beslissen tot verkoop van de lading. Daarvan zal met name sprake zijn, als de vervoerder wordt geconfronteerd met opstapelende opslagnota’s. Het stageld van een container op de terminal loopt ook met de dag op. Verhuizen naar een goedkopere locatie (longstay terminal) is dan wel een oplossing, maar slechts een tijdelijke. Bovendien kan de opgeslagen lading bederfelijke waar zijn, waardoor het van belang is om ervan af te komen. Met de verkoop komt de resultaatsverplichting te vervallen. De vervoerder mag de lading echter pas verkopen na het verkrijgen van een machtiging van de voorzieningenrechter van de rechtbank waar de lading zich bevindt (voor zeevervoer artikel 8:491 BW, voor wegvervoer artikel 8:1133 BW en voor vervoer over binnenwateren artikel 8: 1380 BW). Hoe gaat dit in zijn werk?

Een advocaat zal namens de vervoerder een verzoekschrift indienen bij de voorzieningenrechter. De vervoerder is verplicht om de belanghebbende partij op de hoogte te stellen van de voorgenomen verkoop. De belanghebbende partij is de rechthebbende en degene die tijdens de verscheping is aangewezen om van de reder een aankondiging te ontvangen tegen de tijd dat het schip aankomt op de bestemming, of beide. De belanghebbende partij kan bezwaar maken tegen de voorgenomen verkoop (op grond van artikel 482 Rv). Met het verzoek om te worden gemachtigd om lading te verkopen, wordt meestal gevraagd om in de machtiging de wijze van verkoop te bepalen (bijvoorbeeld door een bepaald bureau op de voorwaarden waarop dit bureau dat normaal gesproken doen).

Indien de voorzieningenrechter een machtiging afgeeft kan de vervoerder overgaan tot verkoop van de lading. Na aftrek van de kosten van de reder, de verkoopkosten en de opslag wordt een eventueel restant van de opbrengst in de consignatiekas gestort. De consignatiekas is een bankrekening opengesteld door de overheid om gelden te ontvangen.

In veel cognossementen (vervoersdocumenten) en ook in andere vervoersdocumenten of vervoerscondities is opgenomen dat de vervoerder een pandrecht heeft op de vervoerde lading, althans in het Engels een ‘lien’ wat enigszins daarop lijkt. In die voorwaarden is dan ook opgenomen, dat de vervoerder bij wanprestatie gerechtigd is om de lading te verkopen op de wijze die hij aangewezen acht. In de Nederlandse jurisprudentie is niet duidelijk of een dergelijke bepaling ook zo in Nederland mag worden toegepast. Algemeen wordt toepassing hiervan gevaarlijk gevonden. Buitenlandse zekerheidsrechten dienen in het Nederlandse stelsel  te worden ingepast en met dezelfde waarborgen te worden uitgeoefend. Bij het eigenhandig verkopen van de lading kan het voorkomen dat deze buitenlandse zekerheidsrechten niet of niet juist gewaarborgd worden. Vervoerders zullen dan ook voorzichtig moeten zijn met het toepassen van deze bepaling.

Dit betekent dat algemeen wordt geadviseerd om niet te kiezen voor een eigen verkoopprocedure.

Conclusie
In het geval een vervoerder zijn lading niet kan leveren door toedoen van de ontvanger kan hij twee dingen doen: de lading opslaan bij een derde of de lading verkopen na het verkrijgen van een machtiging van de voorzieningenrechter. Met de verkoop van de lading komt de resultaatsverplichting te vervallen.

Contact us

RotterdamOffice (6th floor)
Westblaak 179
3012 KJ Rotterdam

Telephone: +31 10 820 86 20
Fax: +31 10 412 40 11
Email: info@docklaw.nl